Ze kan zich héél goed voorstellen, zegt ze, terwijl ze onderuit gezakt in een fauteuil, het hoofd een beetje scheef, haar ogen langs de tegen de wanden van haar atelier leunende schilderijen laat gaan, dat mensen haar werk 'vervelend' vinden.
‘Omdat,’ zegt ze, ‘het iets vertelt. En je hoeft je echt niet rot te zoeken om erachter te komen wát mijn schilderijen vertellen. Ik kan er dus wel inkomen als mensen zeggen dat ze zo’n doek van mij thuis niet aan de muur willen hebben.”
‘Ik wil, denk ik,’ zegt Cora van Vliet, in de eerste plaats iets over mezelf vertellen. Schrijf je dat op? Maar dat is zo’n cliché, joh! Dat zeggen ze toch allemaal? Ach, ’t is gewoon zo: ik ga naar m’n atelier, omdat ik een schilderij wil maken, en dan komt er iets tevoorschijn waarover ik me ook heel vaak verbaas. Zoals het eruit ziet, zo is het geworden, maar dat wist ik van tevoren ook niet. Het is een aanval. Het is soms net of je een stukje tijd overslaat. Zoals je dat ook hebt, wanneer je bij de tandarts zit. Je hebt je verstand er wel bij, en toch ook weer niet, niet helemaal bewust tenminste.”
‘Als ik iets maak, denk ik wel eens: Wat is dat nou weer? Dit is niks! En dan ga ik chagrijnig naar huis. Maar als ik het na drie maanden terug zie, zeg ik vaak: Het is helemaal zo gek nog niet, Cora. Je had toen je het schilderde toch een enorme kracht. Dan sta ik versteld van wat ik gemaakt heb. Ja, echt. En dan denk ik: hé, mijn wereld is weer een stukje groter geworden. Wat dat betreft zijn zulke momenten heel bijzonder.”
Sommige zeggen: ‘Je schildert te veel je eigen problemen, Cora.”
Dit ligt gevoelig. Blijkt.
‘Hoevelen”, reageert ze fel, ‘hebben niet dezelfde problemen als ik!”
En dan: ‘Trouwens, als je naar mijn schilderijen kijkt, kom er, denk ik, niet in de eerste plaats woorden boven, maar beelden. Zelf vind ik het ook vaak rare beelden. Ik weet weliswaar wat er achter die beelden zit, maar komt dat er ook uit? Ik zie wat ik maak toch meer als een nieuwe wereld.”
Ze haalt schilderijen achter schilderijen vandaan. Grote doeken. Menselijke figuren. Veel kleur. Ze kijkt ernaar, het hoofd weer een beetje scheef.
‘Misschien” , zegt ze, ‘wil ik iets vertellen, maar eigenlijk heb ik niets te vertellen. Ik wil, denk ik, wél uitbeelden hoe ik me voel. En dat is niet zo’n best gevoel. Ik weet niet of de mensen dat er aan af zien. Ik heb een vriend, die spreekt Engels, en die zegt: ‘Je figuren zijn anaemic.” Bloedarm. Dat heeft-ie raak getypeerd. Als je ze ziet, zo bloedeloos geschilderd, denk je: aggetaggetaggetver. De figuren op mijn schilderjen hebben de boel een beetje opgegeven. Dat was ook het gevoel dat ik had toen ik ze schilderde. Eeen gevoel dat ik niks was, niks kon. Naar m’n atelier gaan was een straf, er niet heengaan ook. Ik zat helemaal in de hoek. Ik dacht ook aan vreselijke ziektes enzo. Ik had het gevoel dat er niks meer in m’n leven zou gebeuren, alles werd beheerst door regelmaat, geen gekke dingen meer, ik zag één grote saaiheid voor me.”
‘Vroeger was ik erg brutaal, een brutaal meisje. Ik schilderde godachtige wezens, vrouwen, stevig, met ogen die je aankeken, zo van: ik maak het wel, dus jullie ook! Zo was ik ook met mensen bezig: kom op, we maken er wat van! Ik vond de wereld toen slecht, en dacht dat ik er daarom niks aan vond. Nu weet ik dat ik me klote voel en dat het niet aan de wereld ligt. Daarom zie je nu mensen op m’n schilderijen, die helemaal van binnen, in zichzelf zijn gekeerd, ogen gesloten, er gebeurt vanalles om hen heen, maar ze zien het niet. Ze zijn een beetje dood. Het is een wezenloos toneel.”
Ze wijst naar een schilderij. ‘Zegt: Dat is misschien wel een goed voorbeeld. ’t Heeft in elk geval te maken met niet zoveel zin in het levenhebben. Het lijkt op een vrouw die een man wil verleiden of zo. Die blote figuur staat voor seks, waarschijnlijk. Maar daar doet die man ook niks mee. Ik weet niet hoe anderen ernaar kijken. Vrolijke mensen kijken er héél anders naar. Die vinden mijn schilderijen vaak vrolijk. Omdat ik vrolijke kleuren gebruik. Ik ben gek op kleurtjes. Dáárom vind ik schilderen leuk. Maar die kleuren zijn misleidend. Een masker. Met sombere kleuren werken is niet goed voor me.”
‘Maar ik maak nog wel steeds vanuit mijn somberheid schilderijen. Ik kan me voorstellen, dat als je je happy voelt, je geen behoefte hebt om te schilderen. Dan ga je in het gras liggen, dan ga je bloemetjes plukken, dan ga je met de kinderwagen en de hond het bos in. Ik denk dat mesnen die zich happy voelen niet van kunst houden. Of is dat onzin? In elk geval is mijn klote-gevoel over het bestaan mijn inspiratiebron. Ik denk ook niet dat ik ineens een vrolijke tante word. Maar dat hoeft ook weer niet van mijn schilderijen af te stralen.”
‘Wat ik allemaal vertel doet er eigenlijk niet toe. Het zegt misschien iets van mij, maar niet van mijn schilderijen. Daarin ziet iedereen wat hij of zij erin wil zien. Natuurlijk wil ik dat mensen mij begrijpen, dat duidelijk wordt wat mij bezielt, dat ze iets van de dramatiek, de spanning en de emotionele lading van mijn schilderijen voelen Maar laat ik het zo zeggen: er zijn ook schrijvers die geen reet aan het leven vinden en daar boeken over vol kunnen schrijven. Maar het gaat niet in eerste instantie om het geen reet aan het leven vinden, maar om wat voor een boek dat oplevert.’Dat is veel interessanter.”
Ze denkt vaak dat ze een 'ouderwetse' schilder is. Althans, ze denkt dat anderen zo over haar denken.
Cora:‘Want ik weet nooit iets precies, he. Wel is het zo dat ik veel kijk naar gasten uit het begin van deze eeuw, en niet naar schilders van nu. Die zeggen me over het algemeen niet zo veel. Zie ik dat abstracte werk, dan denk ik: ja, ik ben maar een ouderwetse schildertje. Dat abstracte vind ik vaak alleen maar decoratief spul. Ik moet wat voelen, een pijl door m’n hart als het even kan, pijn. Ik hou van Het Grote Gevoel.”
Daarom is ze blij dat ze kan schildert. ‘Dan hoef ik niet te praten.”
Het Vrije Volk, 16 maart1990. Joost van den Hooff
top
|